Chlendorit

Chlendorit schoof onrustig van links naar rechts op zijn hoge zitplaats heen en weer.

Hij probeerde niet teveel te denken aan de ontmoeting van die ochtend.Met een waardige blik bekeek hij het gebied om zich heen.

Zijn gebied, de plek waar hij geboren was.

Hij bezag de toppen en richels van de duinen met een  traag observerende blik. Van ver hoorde hij de zee, die hij alleen van boven kende. Hij hield er niet van om op het strand neer te strijken.

 


Het was tijd om te gaan.

Chlendorit had zijn vaste rituelen.

Zo groette hij vroeg in de ochtend vanaf een duintop met een lange uitroep de zon, als het eerste licht net boven zee begon uit te komen.

Vervolgens kreeg elke veer die hij had een grondige poetsbeurd. Als hij daarmee klaar was rekte hij weloverwogen zijn poten en nek, zodat hij goed voorbereid was voor de komende vlucht.

Zijn eerst vlucht begon laag boven het terrein zodat hij niets hoefde te missen van eventuele overblijfselen die goed eetbaar waren. Meestal vond hij genoeg om niet lang door te hoeven vliegen zodat hij met een gevulde maag kon gaan zitten soezen, de geluiden om hem heen in hem opnemend.

Dat was vaak het moment dat er mensen zijn gebied binnen kwamen.


 Hij deed geen moeite om niet gezien te worden maar bewaarde wel een veilige afstand. Als er iemand te dichtbij kwam verhief hij met een hooghartige blik zijn kop en steeg op.

In het uitgestrekte gebied waren genoeg rustige plekken waar geen mensen kwamen. Bovendien hadden mensen hun eigen paden, hij vond het prettig dat er bijna geen mens van die paden afweek.

Mochten ze dat wel doen dan stuurde het moeilijk begaanbare terrein hen als vanzelf terug de paden op.

 


Die ochtend was Chlendorit met een onrustig gevoel wakker geworden.

Boven zee hing een dichte mist en toch was de zon vuurrood opgekomen. Een teken, dacht Clendorit.

Zijn eerste vlucht verliep makkelijk; hij had bijna meteen een muis te pakken. Het leek alsof die muis door hem niet gezien wilde worden.

Zijn post was een duinrichel. Van daaruit kon hij voldoende terrein observeren.

In de verte zag hij een mens aankomen. De tred zag er moeizaam uit, dacht hij bij zichzelf.

Hij volgde gewoontegetrouw de bewegingen van voortgang van de mens en schudde even zijn kop toen hij zag dat zij van het pad af het ruige terrein instapte. Hij wende zijn kop af. Hij leek geeërgerd. Maar zijn nieuwschierigheid overwon.

Al struikelend baande de mens zich een weg door de bramen struiken en oneffen ondergrond.

Chlendorit verwachtte dat deze afdwaling niet lang zou duren. Hij was verbaasd door de vastberadenheid en de voortgang van de mens onder hem.

Afkeurend wende hij zijn blik af; hij probeerde andere dingen in zijn terrein aandacht te geven.

Door zijn vleugels te spreiden en toe te geven aan de wind steeg hij op van zijn post. Geluidloos vloog hij hoger en hoger, zonder zijn blik van het terrein onder hem af te wenden.

De mens was nog steeds aanwezig in zijn terrein.

 


Zijn honger en rust maakte dat hij verder vloog en de mens liet voor wat zij was. De verstoring had lang genoeg geduurd.

Na een lange vlucht keerde hij terug op zijn post en ontwaarde dezelfde mens in zijn terrein. Hij zag hoe ze nu onzeker door het terrein stapte; op zoek leek het wel.

Hij keek toe hoe ze een plek uitkoos , langdurig om zich heen keek voor ze ging zitten. Het leek of ze er zeker van wilde zijn dat niemand haar kon zien. Maar Chlendorit wist beter.

Hij kon haar zien.

 


De volgende dag begon Chlendorit met een vreemd gevoel aan zijn ochtendritueel. Hij ging bij zichzelf te rade om erachter te komen wat het was dat hem dit vreemde gevoel gaf.

Het leek of hij ergens op wachtte.

Traag cirkelend begon hij met zijn ronde over het terrein. Hij was niet verbaasd toen hij zag dat dezelfde plek als de vorige dag ingenoemen was door een mens.

 Zij was teruggekomen.

 


 

Hij stelde zich op een afstand op en volgde de bewegingen van de persoon onder hem.

Het leek wel of ze een plek had gevonden om voor anderen onbereikbaar te zijn.

Hij voelde zich op een vreemde manier op zijn gemak met haar aanwezigheid.

Haar bewegingen waren rustig en overwogen. Hij kon zien dat ze zich prettig voelde zo tussen de duinen. Ze keek regelmatig langdurig om zich heen; hij wist dat ze hem opgemerkt had.

Hij besloot haar verder te laten maar vloog wat vaker over de plek dan nodig was. Laat in de middag was de plek leeg. Vreemd genoeg gaf dat hem een verlaten gevoel.

 


Hoog op een kale duin gezeten keek hij de volgende dag het pad af, een plek die hij normaal gesproken meidde. Het was er te kaal en opzichtig naar zijn idee.

Het voelde alsof er iets ging komen.

Meteen toen hij haar het pad af zag komen vloog hij op, om een eind verder haar verrichtingen te kunnen volgen.

Ze leek niet op weg naar de plek, wat hij vreemd vond.

Hij had haar dagen achtereen gadegeslagen en gezien hoe ze vrijwel zonder aarzelen steeds weer op de door haar uitgekozen plek terugkwam.

Dat ze dit nu deed vond hij vreemd.

Als ze niet gezien wilde worden, wat hem onmogelijk leek, waarom klom ze dan zo zichtbaar de hoogste duin op?

Later zag hij hoe ze met een stevige vastberaden tred richting strand liep. Voor hem leek het een afscheid. Hij wist zeker dat dit het laatste was wat hij van haar zag.

Veel later zag hij toch weer zijn terrein inlopen. Hij bleef op afstand maar liet wel een korte hoge roep ontsnappen.

 


‘S morgens, bij het begroeten van de zon, dacht hij na over de vrouw die de afgelopen dagen zijn gast was geweest.

Tegen zijn gewoonte in had hij zich mee laten voeren door de bewegingen van een mens. In zijn terrein!

Iets  in haar had hem aangetrokken en al rondom hem heenkijkend wist hij het. Ze was anders in haar doen en laten dan anderen mensen die hij gezien en geobserveerd had.

Zoekende, verbergend. Alsof ze zich meer thuis wilde voelen in zijn wereld dan de hare.

Hij wist voor haar dat ze ooit terug moest keren naar haar eigen wereld. Zijn wereld kon haar niet in leven houden.

Daarbij had ze haar eigen soort ook nodig.

Hij had gezien hoe ze zocht. Hoe ze door het terrein heen bewoog.

Hoe ze de natuur obseveerde en zich erin liet opnemen.

Langzaam nam een trots gevoel bezit van Chlendorit.

Hij had haar al die tijd gevolgd en geobserveerd; zichzelf zelfs laten zien.

Daarmee had hij haar misschien wel aan het denken gezet.

De kortstondige verbondenheid die hij voelde maakte dat hij zich heftig uitschudde.

 


Ze kwam onverwacht van een andere kant aanlopen en liep direct door naar haar plek.

Iets in haar houding was anders, dacht Chlendorit.

Zonder te struikelen liep ze met stevige passen over het oneffen terrein. Het leek of ze iets af kwam maken.

Chlendorit vloog op en liet een langgerekte roep horen.

Ze was ver van hem af maar hij kon zien hoe ze inhield en even bleef luisteren.

Hij wist het, ze kwam voor het laatst in zijn terrein.

Hij zuchtte diep en liet nog eenmaal een langgerekte rope horen, om zich vervolgens van haar weg te laten glijden op de wind.

Zo was het goed, dacht hij.

Ze heeft gevonden wat ze zocht, en ik mocht daarbij zijn.

 

© claire